DE BIG 5 VAN HET EPERHOLT

BIG FIVE

HET EVERZWIJN

Wilde zwijnen leven in een rotte. Een rotte bestaat uit een aantal zeugen (de vrouwtjes), hun frislingen (de jongen) en tweejarige dieren. De jonge dieren zijn te herkennen aan hun gestreepte vacht en worden aan het eind van de winter geboren in een nest van takken en bladeren. Dit wordt een ketel genoemd. De mannetjes, keilers, leven apart en vaak alleen. Ze kunnen tot 135 kg wegen.

Wilde zwijnen zijn alleseters. Hun dieet bestaat onder andere uit eikels, wormen, torren, jonge muizen, vruchten, wortels bessen en amfibieën. Ze speuren hun eten op door met hun stevige neus de grond om te woelen. Ze hebben een uitstekend reukvermogen. Everzwijnen worden dan soms ook getraind om truffels, drugs of explosieven op te sporen!

BIG FIVE

HET EDELHERT

Fine Dining Experience

Het edelhert is met een schouderhoogte van wel 140 cm een van de grootste hertensoorten van Europa. De mannetjes kunnen 255 kg zwaar worden, de vrouwtjes “slechts” 150 kg. Alleen het mannetje draagt een gewei dat hij ieder jaar afwerpt. Hoe ouder het mannetje, hoe indrukwekkender zijn gewei; hij moet zich hiermee dan ook verdedigen tegen andere mannetjes en indruk maken op de vrouwtjes! Zo vecht hij zijn harem bij elkaar.

Edelherten zijn planteneters en grazen in roedels op de grasvlaktes; vaak de vrouwtjes (hindes) en jonge dieren bij elkaar en de volwassen mannetjes (bokken) in een andere groep. In de bronsttijd, die van de tweede helft september tot begin oktober duurt, burlen de mannetjes om hun concurrenten op de hoogte te brengen van hun aanwezigheid. Hoe sterker en gezonder het mannetje, hoe vaker en harder hij zal burlen. De mannetjes dagen elkaar uit in een gevecht en de sterksten claimen een zo groot mogelijk roedel vrouwelijke dieren.

BIG FIVE

DE REE

De ree is net als het edelhert een planteneter. Hij knabbelt de jonge loten van struiken en jonge boompjes, waardoor die vaak een zandlopervorm krijgen. Reeën leven meestal solitair, maar wel met verschillende dieren in hetzelfde leefgebied, waardoor je ze soms toch in kleine groepjes ziet. Ook de jonge dieren blijven tot hun eerste jaar bij hun moeder.

De ree is in Europa de meest voorkomende soort. Hij leeft in bosachtige streken met open plekken en aangrenzende velden, soms ook op de heidevelden. In de ochtend- en avondschemering waagt hij zich in open terrein om te grazen.

BIG FIVE

DE WOLF

Fine Dining experience

De wolf is weer terug in Nederland. In de loop van de 19de eeuw was de wolf verdreven door bejaging en vervolging. Op de Veluwe leven nu meerdere dieren, waarvan sommige als familiegroep (roedel). De solitaire wolven zoeken een partner om zich samen mee te vestigen in een gebied waar voldoende wild is om van te leven.

Het dieet van de wolf bestaat uit grote zoogdieren zoals reeën, edelherten en everzwijnen, maar soms ook schapen en koeien. Ook kleinere dieren zoals muizen, konijnen en eekhoorns worden bejaagd door de wolf. Ze jagen in groepen en werken daarbij goed samen. De roedels bestaan uit een mannetje, een vrouwtje en hun welpen van dit jaar en de jongen van het voorgaande jaar. Jongvolwassen dieren verlaten de roedel in hun tweede levensjaar om een eigen territorium te vinden.

BIG FIVE

DE VOS

De vos leeft solitair en zoekt alleen in de paartijd gezelschap. Hij jaagt op kleine tot middelgrote dieren, zoals muizen, konijnen, hazen en fazanten, maar soms ook op kippen. Hij doodt in een kippenhok vaak meer dan hij nodig heeft.

Vossen wegen tussen de vijf en acht kg. De mannetjes zijn zwaarder dan de vrouwtjes. Het zijn slanke dieren die een sprint kunnen trekken van 50 kilometer per uur. Dit zullen ze alleen doen als er gevaar dreigt en over een korte afstand, want het kost hen anders teveel energie. De vos kan bovendien vijf meter ver en twee meter hoog springen. Zo vangt hij weleens een vogel uit de lucht!

DE SMALL 5 VAN HET EPERHOLT

SMALL FIVE

DE DAS

De das kan met zijn kleine oogjes maar slecht zien. Het is een schemer- en nacht dier en heeft dus ook niet zoveel aan zijn ogen. Hij heeft echter een voortreffelijk reukvermogen! Hij gaat er in het donker op uit; op jacht naar regenwormen, insecten en hun larven, mais, graan en verschillende soorten fruit. Het zijn omnivoren en eten dus vrijwel alles.

Dassen wonen in een burcht. Ze zijn erg honkvast en een dassenburcht gaat vaak meerdere generaties mee en wordt dan steeds verder uitgebreid. De dassenburcht heeft verschillende ingangen en meterslange, ondergrondse gangen. Vaak zijn er in het territorium van een dassenfamilie meerdere burchten, speelplekken, krabbomen en latrines (vaste plekken om hun behoeften te doen).

Van kop tot romp kan een das 70 tot 80 cm worden, zijn staart is kort en meet 12 tot 20 cm. Een das heeft een schouderhoogte van zo’n 30 cm. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Ze hebben een erg herkenbare vachttekening. Een das houdt geen winterslaap, maar doet het wel rustig aan tijdens de koudere periodes.

SMALL FIVE

DE EEKHOORN

Fine Dining Experience

De eekhoorn is met zijn rode vacht en grote pluimstaart duidelijk herkenbaar. Ook valt hij op door zijn pluimpjes aan zijn oren. Het is een bosbewoner, maar voelt zich ook thuis in parken en tuinen. Ze nestelen graag in boomholtes, waar ze warm en droog zitten, bijvoorbeeld een oud spechtennest. Als ze geen geschikt hol kunnen vinden, bouwen ze zelf een nest van takken met bladeren, hoog in de boom. Het nest wordt gevoerd met mos, blad en gras.

De jongen worden bijna het hele jaar door geboren, met een piek in februari-maart en juli-augustus. Als ze acht weken zijn, mogen ze voor het eerst buiten het nest kijken. Maar zodra ze drie maanden zijn, worden ze door de moeder weggejaagd en moeten ze op eigen benen staan. Na tien maanden zijn ze dan geslachtsrijp en kunnen ze op zoek naar een partner. Eekhoornmannen bemoeien zich niet met hun kroost.

Eekhoorns houden geen winterslaap. Als het erg koud is, willen ze wel in hun nest blijven, maar verder zijn ze dagactief. Zowel in de zomer als in de winter zijn ze op zoek naar zaden en noten, maar ook eten ze jonge bladeren, bloemknoppen, zwammen en bessen. Een enkele keer eten ze een vogelei of een jong vogeltje, maar dit komt niet vaak voor. In de herfst leggen ze een wintervoorraad aan, waarbij ze zaden en noten in kleine kuiltjes in de grond of in boomholten verstoppen.

SMALL FIVE

DE HAAS

Hazen leven op graslanden en open gebieden. Overdag houdt de haas zich schuil in een zelf gegraven, ondiep kuiltje in de grond, het ‘hazenleger’. In de winter maken ze gebruik van het bos als schuilplaats. Het is een planteneter die zich vooral voedt met grassen, maar hij eet ook granen, akkergewassen en jonge blaadjes.

De haas is veel groter en zwaarder dan een konijn en heeft lange oren met zwarte tippen. Hazen zijn vooral ’s nachts en in de vooravond actief, maar gedurende voorjaar en zomer ook in de schemering en overdag. Ze leven solitair, maar komen vaak samen om te foerageren. Ze verdedigen geen territorium. Alleen tijdens het voortplantingsseizoen vinden er “boksgevechten” plaats tussen de mannetjes.

Een vrouwtjes haas wordt “moer” genoemd en een mannetje een “rammelaar”. Een moer heeft een tot drie, soms vier worpen per jaar. Gemiddeld werpt een haas per jaar tien tot elf jongen. Pasgeboren jongen zijn geurloos. Alleen de moer zorgt voor de jongen, maar ze laat haar jongen het grootste deel van de dag alleen om ze een- of tweemaal per dag te zogen, meestal in de schemering.

SMALL FIVE

DE VLEERMUIS

FINE DINING EXPERIENCE

Vleermuizen jagen in het bos tussen de bomen en over de heide op insecten. Ze doen dit met hun echosysteem; hun hoge kreten weerkaatsen op de prooidieren, zodat de vleermuis weet waar deze zicht bevindt. Ze weten dan zelfs welke soort insect het is. Er zijn in Nederland achttien soorten vleermuizen. Het zijn de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen dankzij een huidplooi tussen de voorpoten en romp en de achterpoten en de staart. Vleermuizen zijn nachtdieren. Overdag slapen ze in spouwmuren of boomholten. In de winter houden ze een winterslaap.

SMALL FIVE

DE MOL

Deze graver voelt zich goed thuis in de bossen waar hij lange gangenstelsels kan aanleggen met verschillende kamers. Tijdens het graven en herstellen van de gangen gooit hij de aarde omhoog tot molshopen. In een grasveld is dit vervelend, maar in het bos heeft niemand er last van. De mol eet vooral regenwormen, emelten en engerlingen, maar ook slakken en spinnen. Hij moet dagelijks 50 gram eten; dit is bijna de helft van zijn eigen lichaamsgewicht.

De gangen graaft hij met zijn enorm grote en sterke voorpoten met lange nagels. Hij heeft een grijszwarte, fluweelzachte pels; vroeger werd dit armeluisbont genoemd. Zijn lichaam is cilindervormig, zodat hij makkelijk door de gangen kan, met een klein staartje. Hij heeft hele kleine oogjes, waarmee hij slecht kan zien. Maar dat is ook niet nodig, want hij leeft voornamelijk onder de grond en kan heel goed trillingen voelen.

Mollen leven solitair. Alleen in de paartijd laat de mannetjesmol meerdere vrouwtjes toe in zijn gangenstelsel. De vrouwtjes vertrekken na de paring weer naar hun eigen territorium, waar ze na vier weken ongeveer vier jongen krijgen. De jongen zijn bij de geboorte naakt, blind en hulpeloos, maar verlaten na vier tot vijf weken het nest. Ze worden dan door de moedermol uit haar gangenstelsel verdreven.